De ontdektafel

Eten en sensorische prikkels

Waarom structuur, geur en temperatuur voor sommige kinderen te veel zijn, plus wat je daarmee aan tafel doet.

Leestijd ongeveer 7 minuten

Een klein kind knijpt met de hand in eten op het blad van een kinderstoel; op de tafel ernaast rust de hand van een volwassene, zonder in te grijpen

Wel tomatensaus, geen tomaat. Wel appelmoes, geen appel. Wel gladde yoghurt, geen yoghurt met stukjes. Wel de knakworst uit dat ene blik, niet die van de slager.

Als je dit patroon herkent, gaat het bij jouw kind niet over lekker vinden. Het gaat over wat er in zijn mond gebeurt.

Eten is de ingewikkeldste klus van de dag

Wij denken bij eten aan smaak. Maar er komt veel meer binnen. Een geur voordat het bord er staat. Een kleur en een vorm. Iets dat aan je vingers blijft zitten. In je mond misschien iets zachts en iets hards door elkaar, dat verandert terwijl je kauwt. Temperatuur. Geluid in je hoofd als je erop bijt. Dan moet het ook nog naar achteren en weg.

Bij de meeste kinderen verwerkt het zenuwstelsel dat op de achtergrond. Zij registreren het en gaan door. Bij een deel van de kinderen lijkt dat filteren minder goed te lukken en komt er meer tegelijk binnen. Bij die kinderen zit het knelpunt vaak niet in de smaak maar in de hoeveelheid informatie.

Dat is een verklaringsmodel en geen bewezen mechanisme voor ieder kind. Bij het ene kind speelt vooral de structuur, bij het andere een vervelende ervaring of weinig eetlust. Bij ons paste dit model. Het gaf ons voor het eerst een aanknopingspunt.

Tomatensaus uit een pot smaakt elke keer hetzelfde en heeft één structuur. Een rauwe tomaat bestaat uit schil, vruchtvlees, sap en zaad. Je weet nooit precies wat je krijgt.

Zo bezien is de voorkeur van je kind niet willekeurig. Er zit een logica in. Die logica heet voorspelbaarheid. Dat verklaart waarom de ene knakworst wel gaat en de andere niet, waarom hij appel eet maar geen appelmoes, waarom het merk uitmaakt. Er is één eigenschap veranderd die voor hem het hele product verandert.

Hoe je het herkent

Dat laatste punt is de scherpste aanwijzing. Kokhalzen bij het zien van eten kan niets met smaak te maken hebben, want er is nog niets geproefd.

Waarom de lijst korter wordt

Bij kieskeurig eten komt er met de tijd meer bij. Hier verdwijnt er iets. Een product dat vorige maand nog ging, valt er zomaar af.

Dat volgt uit hoe vermijden werkt. Elke keer dat hij iets niet hoeft te eten, zakt de spanning en dat wordt onthouden. Zo wordt de veilige lijst steeds korter en steeds strikter, terwijl alles daarbuiten onbekender wordt. Aandringen versnelt dat proces: je maakt de tafel de plek waar de spanning zit en het vermijden nog waardevoller.

Wat dit met autisme en ADHD te maken heeft

Vaak veel. Niet altijd.

Onderzoek rapporteert sterk uiteenlopende percentages voor eetproblemen bij kinderen met autisme: van ruim veertig tot bijna negentig procent. Dat enorme bereik zegt vooral iets over de onderzoeken zelf. Er is geen vaste definitie van wat een eetprobleem is, de ene studie kijkt naar een handvol kinderen in een kliniek en de andere naar een hele schoolpopulatie. Een percentage uit zo'n reeks is dus geen getal om op te bouwen.

Wat wél consistent terugkomt is de richting: kinderen met een ernstige voedselinnamestoornis blijken vaker autisme of ADHD te hebben dan andere kinderen. Sensorische gevoeligheid wordt daarbij het vaakst als verbindende factor genoemd. Ook bij kinderen die prematuur geboren zijn, worden eetproblemen vaker gezien.

Belangrijk: het werkt niet in omgekeerde richting. Prikkelgevoeligheid rond eten betekent niet dat er een diagnose is. Er zijn veel kinderen die hier sterk op reageren zonder dat er iets anders speelt. Onze zoon heeft nooit een diagnose gekregen.

Wat wij niet doen

Ik ben geen arts, logopedist of psycholoog en ik stel niets vast. Vermoed je dat er meer speelt dan eten, bespreek dat dan met je huisarts, de jeugdarts of het consultatiebureau. Zij kunnen kijken of onderzoek zinvol is.

Waarom ‘gewoon proberen’ hier niet kan werken

Het gangbare advies gaat over de laatste stap: neem een hapje. Zit het probleem in de prikkels, dan is die laatste stap ongeveer stap tien. Alles ervoor is nog niet gebeurd.

Bij ons thuis was dat jaren onzichtbaar. Wij zagen een kind dat niet wilde eten. In de behandelruimte zag ik dat hij bij ieder product zijn handen schoonmaakte met een washandje, daarna de tafel afveegde en het washandje netjes teruglegde. Iemand die één keer meekijkt, ziet een net kind. Wij zaten naar het probleem zelf te kijken.

Wat er wel helpt

Kleiner maken dan happen. Veel kleiner dan je denkt.

Werk buiten de maaltijd

De maaltijd is het moment met de meeste druk. Iets nieuws leren kennen gaat beter op een ander moment, als er niets van hem verwacht wordt.

Werk in kleine stappen

In de behandelkamer zijn dat er tientallen: in de ruimte hebben, op tafel, op je eigen bord, aanraken met een vinger, ruiken, tegen de lippen, aan de tanden, likken, afbijten, kauwen, doorslikken. Ruiken mag genoeg zijn voor vandaag. Aanraken met een vinger is een stap, ook als het niet in de buurt van zijn mond komt.

Verander één eigenschap tegelijk

Gaat een cracker goed, dan is een cracker van een ander merk een kleinere stap dan een beschuit. Behandelaars noemen dat ketenen: je werkt vanaf een veilig product naar iets dat er in vorm, kleur of structuur net iets van afwijkt. Nooit andersom. Nooit vanaf iets wat hij nog nooit heeft aangeraakt.

Vieze handen mogen

Onze zoon vond het vervelend als zijn handen vies werden en wilde ze meteen schoonmaken. Dat mag. Een washandje binnen bereik is geen zwakte maar zijn manier om de stap te verdragen.

Blijf de bekende producten geven

Die vormen zijn basis en daar kom je niet aan. Zolang het veilige eten er is, kan hij het aan om iets nieuws naast zich te hebben liggen.

Let ook op geluid en drukte

Een kind dat prikkels moeilijk filtert, doet dat ook met de radio aan of met vier mensen die door elkaar praten. Een rustige tafel is een echte maatregel.

Schrijf op bij welke stap hij afhaakt

Dat punt schuift op, maar zo langzaam dat je het alleen ziet als je het bijhoudt. Dit is ook de informatie waar een behandelaar iets mee kan.

Wanneer je erbij haalt

Ga naar je huisarts of jeugdarts als je kind niet goed groeit, afvalt, vaak kokhalst of zich verslikt, of wanneer het aantal producten dat hij eet blijft krimpen. Een preverbaal logopedist kijkt naar de mondmotoriek en de opbouw van structuren. Een diëtist let op wat er binnenkomt, zodat het oefenen niet ten koste gaat van zijn voeding. Bij een langdurig of ernstig probleem werken die disciplines samen in een gespecialiseerd eetteam.

De cursus werkt in kleine stappen, van kijken naar aanraken naar proeven. Zonder dat er iets gegeten hoeft te worden.

Bekijk de proefles

Dit is geen medische of paramedische behandeling en het vervangt geen zorg. Bij sondevoeding, een ernstige groeivertraging of complexe medische voedingsproblematiek blijft de begeleiding van je behandelaar leidend.